Belang van KI en ET in de huidige fokkerij.

 

Tot een tiental jaar geleden was kunstmatige inseminatie de hefboom in de selectie van de rundveerassen. Deze selectie gebeurt langs mannelijke zijde door middel van het bekende PWF(- Proefstier-Wachtstier-Fokstier)-programma.
Proefstieren worden verkregen door koppeling van de beste koeien van het ras (stiermoeders) met de beste stieren van het ras (stiervaders).
Van een stier met hoge genetische fokwaarde kan via K.I. op korte tijd een groot aantal nakomelingen bekomen worden. Door middel van een goed en strikt uitgevoerd testprogramma (nakomelingen onderzoek) kan met vrij grote nauwkeurigheid de fokwaarde van een K.I.-proefstier bepaald worden.
De erfelijke eigenschappen van vrouwelijk vee worden langs rechtstreekse weg zeer traag en gering in de veestapel verspreid. Dit is te wijten aan het gering aantal nakomelingen per koe. Gemiddeld geeft een koe slechts vier kalveren.
De ovaria (eierstokken) van een rund bevatten een potentieel van ongeveer honderdduizend eicellen, wat theoretisch enorme mogelijkheden biedt bij embryo-transplantatie.

Met behulp van ET kan het aantal nakomelingen per koe sterk verhoogd worden.
Dit biedt heel wat mogelijkheden :
- Van de beste koeien van het bedrijf, gekoppeld met de beste stieren, kunnen vele hoogwaardige nakomelingen worden geproduceerd. Daardoor wordt het gemiddeld bedrijfspeil sterk opgetrokken. Minderwaardig vrouwelijk fokvee kan als draagmoeder,(ontvangster) fungeren, en alzo snel vervangen worden door betere dieren.
- Eenzelfde donorkoe kan op korte tijd met verschillende stieren worden gecombineerd.
- Een reeks nakomelingen per koe kan getest worden. Het generatie-interval kan daarbij verkort worden door donorkoeien reeds als jonge vaars (12 - 16 maand oud) te spoelen.
- Voor het stiermoederprogramma kunnen stiertjes geproduceerd worden uitsluitend afkomstig van de allerbeste stiermoeders met de beste stiervaders.
Vroeger werd van meer dan 2/3 van de stiermoeders nooit een stierkalf in de K.I. ingezet voornamelijk omdat geen stierkalf meer geboren werd nadat de koe stiermoeder werd, ofwel omdat het kalf niet voldeed of niet gunstig beoordeeld werd aan het eind van de prestatietoets.
Ondanks het feit dat volle broers nog sterk van elkaar kunnen verschillen, heeft het evenwel, omwille van de beperkte testcapaciteit in de populatie, geen zin volle broers in het testprogramma in te zetten. Het is zelfs aangewezen slechts weinig halfbroers (langs moederszijde) in het testprogramma te gebruiken onder meer wegens inteeltgevaar.
Omdat de stiervaders duidelijk nauwkeuriger getest zijn, blijft het wel noodzakelijk meerdere halfbroers ( langs vaderszijde) te testen.
E.T. is een verfijnde techniek, dat wil zeggen dat E.T. gebruik in de selectie- en fokprogramma’s, slechts zin heeft wanneer alle reeds gebruikte technieken optimaal worden aangewend :
- uitgebreide “registratie + melkcontrole + K.I.”, dat wil zeggen op een zo uitgebreid mogelijke actieve populatie
- goed testprogramma (P.W.F.) voor de K.I.-stieren
- goede fokwaardeschatting van stieren en koeien (lineaire beoordeling)
- goede selectie na het testwerk: dat wil zeggen, bij voorrang rekening houdend met de economisch meest belangrijke kenmerken.
Naarmate een veeras kleiner is, wordt de behoefte aan E.T. met de werkelijke topkoeien groter. Met uitzondering van zwartbont kan geen enkel Belgisch ras tot de “grote rassen” worden gerekend.
Een bijkomend voordeel van E.T. bij stiermoeders is dat zij systematisch onderzocht worden op vruchtbaarheid en eventuele afwijkingen in dat verband.
Het gebeurt zelfs dat van koeien met gestoorde vruchtbaarheid embryo’s gewonnen worden. Indien deze gestoorde vruchtbaarheid het gevolg is van ziekte, ouderdom, chronische ontstekingen van het geslachtsapparaat enz. is daar niets tegen in te brengen.
Het mag evenwel nooit de bedoeling zijn om koeien met aangeboren afwijkingen van het geslachtsapparaat geschikt te maken voor de voortplanting.
Bijvoorbeeld: witte vaarzenziekte bij BWB.

-ET en de produktie van vervangingsvee.

Normaal zijn 60 à 80 % van de koeien met minstens één laktatie nodig voor de produktie van het vrouwelijk vervangingsvee.
Indien men van de topkoeien van een bedrijf, jaarlijks 20 nakomelingen kan produceren, waarvan gemiddeld 10 dochters, dan volstaan 3,5 % van de koeien voor de produktie van vervangingsvee.
De genetische vooruitgang van een melkveestapel neemt dan met meer dan 20% toe.
Het ondereind van de veestapel dat niet gebruikt wordt voor de produktie van vervangingsvee kan ingeplant worden met een “vleesvee”-embryo.
Dit is een mogelijkheid die op gemengde bedrijven (melkvee /vleesvee) zeer lukratief is.

-ET en handel in fokmateriaal

Transport van embryo’s is veel goedkoper dan veetransport.
Aanschaf van topgenetica via embryo’s mogelijk aan redelijke prijs.
Omschakeling naar een ander veeras kan op één jaar tijd, zonder aankoop van dieren.
Sanitaire problemen of gevaar op ziekte insleep bij ET praktisch onbestaande.
-ET kan een hulp zijn bij het heropstarten van een bedrijf na uitzuivering voor een besmettelijke dierziekte ( Brucellose, tuberculose, ...)
- Een embryo-voorraad van het bedrijf biedt een bescherming van het genetisch potentieel in geval van uitbraak van een besmettelijke dierziekte.

Kostprijselementen KI en ET


Kostprijs van KI en / of ET worden sterk bepaald door de vruchtbaarheidsstatus van het bedrijf.
Vruchtbaarheid wordt beïnvloed door de bedrijfsvoering.
In de mate waarin de verzorging en de voeding van de veestapel geoptimaliseerd wordt neemt ook de vruchtbaarheid toe.
Een en ander hangt af van de stielkennis en ervaring van de bedrijfsleider.
Hoe lager het non-return % , hoe hoger de kostprijs per dracht .
Evenwel hangt bij KI de gemiddelde kostprijs per dracht ook af van de spermaprijs en vooral hierin zijn grote variaties mogelijk.
Embryo-transplantatie
Het gemiddeld aantal bruikbare embryo’s per spoeling is de laatste jaren licht gestegen.
(7,3 / spoeling in 97, ET-team BEL09).
Dit is waarschijnlijk te wijten aan de toenemende ervaring van de veehouder en de betere selectie en voorbereiding van de donorkoeien.
Het gebruik van ET geeft rechtstreeks aanleiding tot selectiedruk in het voordeel van de vruchtbaarheid. Waar vroeger iedere koe praktisch evenveel kalveren voortbracht, produceren de meest vruchtbare koeien nu de meeste embryo’s en dus ook de meeste nakomelingen. Hierdoor kan het aantal beter vruchtbare dieren in de populatie stijgen.
Op bedrijven waar met voldoende ervaring en inzet, op regelmatige basis aan ET gedaan wordt, is de gemiddelde kostprijs lager dan 10 000,- Bfr per dracht.
Voornaamste parameter is het aantal goede embryo’s per spoeling, naast het drachtpercentage na inplanten.
Drachtpercentages gemiddeld :(alhoewel grote variatie tussen bedrijven onderling; 50 tot 90 % )
65 % bij verse embryo’s
60 % bij diepgevroren embryo’s
50 % bij geplitste embryo’s
Andere factoren die de kostprijs bepalen zijn:
-Aantal donors dat gelijktijdig gespoeld wordt.
-Gebruik ondereind veestapel of aankoop ontvangsterdieren
-Wijze waarop de receptoren gesynchroniseerd worden
- natuurlijke bronst
- Prostaglandines
- Oorinplant of spiraal
-Wordt het embryo gesplitst, gesekst, ingeplant of ingevroren?
-Worden er embryo’s aangekocht? Prijs? Met of zonder drachtgarantie?
-Aankoopprijs donorkoe.
-Bij vleesrassen zijn alle kalveren waardevol; bij melkrassen zijn de stierkalveren meestal nutteloos. Bij deze laatste moet de ET kostprijs per dracht met +- 2 vermenigvuldigd worden.

De werkelijke ET kostprijs is dus van heelwat variabelen afhankelijk en kan dan ook naargelang de bedrijfssituatie zeer sterk verschillen.

 

 
 

Content copyrighted by Vee.be -- Design copyright by Wackedesign